Jarenlang kampte Anneke Kuijken met een eetstoornis, waarbij in haar hoofd een duivel en een engel met elkaar streden. Tot ze leerde om zichzelf weer lief te hebben. Dat leidde onder meer tot een prachtig project waarbij mensen letterlijk kunnen baden in liefde.

"Ik kreeg het vertrouwen dat ik het lichaam kreeg dat bij me past"

Anneke groeide op in Bergeijk en verhuisde 11 jaar geleden naar Berkel-Enschot. "Ik kom uit een ogenschijnlijk normaal gezin. Mijn vader had echter nierfalen; elk half jaar moest hij op controle en hij leefde stipt na wat de artsen zeiden. Dat leidde bij ons tot opletbaarheid: zo mocht nooit een raam en een deur gelijktijdig openstaan, omdat hij anders verkouden kon worden. Doordat ik al snel in die zorgrol zat, ben ik voor mijn gevoel nooit echt kind geweest.  
Op school werd ik gepest, omdat ik nogal fors was. Maar doordat mijn ouders zelf al genoeg zorg hadden, stopte ik het weg, als een soort overlevingsmechanisme. Op mijn twaalfde ging ik naar de mavo en twee jaar later begon ik met lijnen. Met mijn moeder zocht ik naar een gezonde manier om af te vallen. In negen maanden tijd viel ik 30 kilo af en zat ik aan een gezond gewicht. Ik at heel gezond: geen koek, snoep of chips, en alleen op zondag ijs en friet. Wel moest ik veel eten om op gewicht te blijven. Drie jaar lang bleef ik op hetzelfde gewicht. Achteraf gezien was ik toen al erg gefocust op eten en op mijn gewicht, dat stabiel bleef. Omdat ik veel complimenten kreeg dat ik zoveel was afgevallen, kreeg ik het gevoel dat ik ergens goed in was. Dat heeft later een belangrijke rol gespeeld in de start van mijn eetstoornis.” 

Glijbaan naar beneden

"Op mijn zestiende ging ik naar SintLucas in Boxtel voor een opleiding reclame- en presentatietechniek. Ik vond het echt leuk, was veel aan het leren en haalde goede cijfers. Toen op mijn zeventiende mijn vader overleed, focuste ik me nóg meer op school en ook op eten. Door in mijn hoofd te leven, hoefde ik het verdriet niet toe te laten. Ruim een jaar na mijn vaders dood gebeurde het. Het was carnaval, mijn moeder was aan het werk en mijn broer was jarig. Toen hij met zijn vrienden op stap ging en mij met alle rotzooi achterliet, knapte er iets in mij. Ik dacht: 'ik kan iets veel beters dan andermans rommel opruimen. Ik zal eens laten zien waar ik heel goed in ben: afvallen.” Ik maakte met mezelf de afspraak: ik eet hetzelfde of minder dan gisteren – maar niet méér, want dan kom ik aan. Het was vooral de controle: ik was sterker dan mijn honger en gaf er niet aan toe. Het afvallen ging heel snel, en al na een paar weken vroeg mijn moeder hoeveel ik woog. Toen ik zei: 'hetzelfde als vorige week' keek ze me strak aan en zei: 'jij liegt, jij valt af!' Ik gaf toe; ik zei dat ik dit helemaal niet wilde, maar er zelf wel uitkwam. Een paar weken later besefte ik echter dat het me niet lukte; ik had hulp nodig. We zijn toen samen naar de huisarts gegaan. Hij nam het echter niet serieus, ook omdat ik nog weinig ondergewicht had. De huisarts stelde voor dat mijn moeder met mij een gewicht af zou spreken waar ik niet onder mocht komen. Overigens zag ik mezelf tijdens mijn anorexiaperiode altijd precies zoals ik was, ook toen ik graatmager was. Ik wilde graag beter worden, maar gedachten in mijn hoofd maakten me wijs dat ik altijd aan zou blijven komen van een extra boterham en dat ik dan weer zo dik zou worden als op mijn veertiende.”

Vuilniszak 

“Volgens een psycholoog bij wie ik in therapie wilde, woog ik te weinig om te kunnen starten. Beneden een bepaald gewicht schakelt je lichaam schijnbaar emoties uit. Om aan de slag te gaan, moet je echter wel je gevoelens kunnen voelen. Omdat ik die extra kilo’s er zelf niet aankreeg, wilde ik naar het ziekenhuis voor sondevoeding. Maar in plaats daarvan werd ik na een paar dagen als een vuilniszak gedumpt op de psychiatrische afdeling. Voor mijn gevoel zat ik daar tussen de gekken; ik was keibang. Veel mensen zaten onder de medicatie; dat waren in mijn ogen net zombies. En in de isoleer bonkte iemand constant tegen de deur; ik dacht: 'als die vrijkomt, doet hij ons allemaal wat aan'. Dat alles heeft me een trauma bezorgd - terwijl ik allang wist welke hulp ik wilde en alleen kwam om aan te komen. Ik zette mijn hakken in het zand en ging (als machtsmiddel) nóg minder eten. Ik dacht: 'als mijn situatie ernstig wordt, gaan jullie wél naar mij luisteren'. Twee weken moest ik daar blijven. Na mijn opname kreeg ik ambulante hulp. Ik was heel trots op mezelf toen ik bramen at zonder ze te tellen. Maar mijn behandelaar geloofde me niet; daar had ik veel last van. Daarom ben ik na een half jaar gestopt en richtte ik me volledig op het laatste jaar van mijn opleiding. Tijdens mijn examen kreeg ik echter diarree en viel ik weer veel af. Omdat het levensbedreigend was, kwam ik opnieuw in het ziekenhuis (een ander ditmaal) voor sondevoeding. In die periode zag een verpleegkundige mijn ‘struggle’. Ze gaf me een kaart met de Loesje-tekst ‘Leven is het meervoud van lef’; ik ben dat nooit vergeten. Na elf weken ziekenhuis kwam ik op de 'pre-groep' voor dagbehandeling in Uden-Veghel. Ze hadden daar het straffen/belonen-systeem: wie niet genoeg aankwam, kreeg straf. Daarom vrat ik me in die vier maanden pre-groep op gewicht met veel Nutella lepelend uit de pot, plakken kaas en pakken vanillevla. Tijdens de opname viel ik weer af en omdat ik daardoor niet aan de eisen voldeed, kwam ik in de strafgroep terecht. Toen besefte ik dat ik alleen maar bezig was met voldoende te wegen om anderen tevreden te stellen. Zo wilde ik graag stoppen met mijn eetdagboek (wat en wanneer had ik gegeten, wat voelde ik erbij e.d.), omdat dat averechts werkte; dat mocht echter niet. Na vier maanden behandeling besloot ik echter toch te stoppen.” 

Strijd tussen engel en duivel 

“Eenmaal in de nazorg viel ik weer af. Tijdens een gesprek met mij en mijn moeder vroeg een therapeut (alsof het de gewoonste zaak van de wereld was): ‘kies je voor de dood of voor het leven?’ Als ik eerlijk was geweest, had ik gezegd: laat mij maar doodgaan. Want 24 uur per dag streed in mijn hoofd een duivel met een engel (slechte vs goede gedachten), wat zich uitte door eten over tafel gooien of door flink te schreeuwen. Ik kon niet meer en vond mezelf ook vreselijk voor mijn omgeving; ik dacht: jullie zijn beter af zonder mij. Maar omdat mijn moeder haar man al had verloren, maakte ik de keuze om te leven zolang zij zou leven. 
Omdat een klinische
opname werd geadviseerd, ging ik kijken bij de klinische eetstoornisafdeling van Emergis in Goes. Met de gedachte: als het niet bevalt, ga ik niet. Want een kliniek, dan moest het wel érg slecht met je gaan. Die ‘nooduitgang’ had ik nodig om te blijven. In de tweede week belde ik mijn moeder en zei: ‘ik kom nu naar huis; het is verschrikkelijk hier!’ Hoewel ze altijd superlief was, zei ze nu: ‘je kunt vrijdagmiddag komen, eerder niet!’ Achteraf was het heel goed dat ze voet bij stuk hield.  Mede daardoor ben ik het traject aangegaan en heb ik negen maanden doorgebracht in de kliniek. Bij Emergis werd ik als Anneke gezien: waar wilde ik zelf aan werken en wie kon daartoe bijdragen? Je schreef daar elke acht weken je eigen behandelplan; zo ging ik met mijn eigen doelen aan de gang. Bij elke evaluatie lag de focus op wat wél gelukt was; de rest nam ik mee in mijn volgende behandelplan. Ik kreeg zelf de touwtjes in handen; zo mocht ik onder meer stoppen met mijn eetdagboek. Ook werd gekeken naar de daginvulling na de kliniek en kreeg ik loopbaancoaching. Zo was ik bezig om me weer Anneke te voelen.”  

Domino-effect 

“Na de opname ging ik werken in een sieradenwinkel, maar dat bood onvoldoende uitdaging. Eind 2002 deed ik mee aan ‘Domino Day’ (een recordpoging met dominosteentjes, SdL). Ik wilde de beste zijn en ging mijn eten weer controleren; dan zou ik slanker zijn tussen die steentjes. Na zes weken bleek ik echter niet eens bij de 50 beste bouwers te zitten. Ik was echt over de emmer, omdat ik mezelf al zoveel had ontzegd. Dat wilde ik niet meer en ik maakte met mezelf de afspraak om nooit meer te lijnen en elke dag te snoepen. Omdat ik echter niet meer wist wat normaal eten was, werd ik weer dik; ik had geen rem.  Als mijn lijf zei: ‘nu is het wel genoeg’, dacht ik ook meteen: ‘maar ik vind het lekker. En als ik stop, ben ik weer aan het lijnen!’  In 2005 kreeg ik een vriend met heel andere eetgewoontes, waardoor ik een andere, normale eetstructuur kreeg. Ik viel af zonder te lijnen en kreeg weer vertrouwen in mijn lichaam. 
Toen ik in de kliniek zat, werkte ik elk weekend bij een benzinepomp – want ik vond dat ik in de kliniek niet werkte en maatschappelijk niets bijdroeg. Achteraf bezien vroeg ik daardoor te veel van mezelf. Een aantal jaren, banen en een afgebroken opleiding later, toen ik net samenwoonde, kreeg ik een burn-out die uitmondde in een depressie. Twee jaar zat ik op de bank; ik kon me er alleen maar toe zetten om me aan te kleden en te zorgen voor het eten. Die twee jaar was puur uitrusten van de intensieve tijd van de eetstoornis en het werken. 
Langzaamaan kreeg ik weer zin om iets te gaan ondernemen en vond ik vrijwilligerswerk dat me aansprak: gastdocent eetstoornissen bij afdeling Preventie van GGz Breburg. Ik vertelde op middelbare scholen mijn verhaal, zodat scholieren met een beginnende eetstoornis snel hulp zouden zoeken. In 2,5 jaar heb ik ruim 200 gastlessen gegeven. Dat was heel leuk om te doen en had ook nut. Een meisje dat me ooit vertelde dat ze niet goed bezig was met eten, zei een jaar later dat ze dankzij mijn verhaal hulp was gaan zoeken en dat het nu weer goed met haar ging. Dat maakte het voor mij nóg waardevoller. Mijn verleden had waarde gekregen en het gevoel om weer een bijdrage te leveren vond ik heel fijn. Daarnaast werd ik co-trainer bij de cursus Samenspel (thema: hoe kun je als ggz-medewerker cliënten respectvol bejegenen, SdL). Toen de vraag naar gastlessen en cursussen minder werd, ben ik ermee gestopt. Ik was ook wel een beetje klaar met mezelf; tijd om door te gaan. In die tijd volgde ik ook cursussen en opleidingen rondom bewustzijn en voelen. Drie jaar geleden werd aan mij gevraagd of ik weer gastdocent wilde worden. Ik zag dat in eerste instantie niet zitten, maar omdat mijn verhaal anders is dan wat mensen denken bij een eetstoornis en een grote bijdrage kan leveren, ben ik toch weer begonnen. Nu is mijn verhaal gericht op herstel en op wat mij geholpen heeft. Sinds kort ben ik zelfs als betaalde kracht werkzaam bij FAMEUS – voor mij een hoogtepunt. Daarbij zijn ook mijn werkzaamheden uitgebreid: ik geef nu gastlessen en trainingen; ook coach ik teams. Dat maakt het werken nóg leuker. Ik heb afwisseling nodig, anders raak ik verveeld.” 

Liefde voor het oprapen 

“Een deel van mijn herstel was ook: mezelf weer lief leren hebben. Vijf jaar geleden strandde mijn relatie; ik dacht toen: ‘ik heb 34 zware levensjaren achter de rug. Als ik 70 jaar mag worden, laat ik dan zorgen dat die andere helft een stuk beter zal zijn. Ik kies vanaf nu zo veel mogelijk voor dat waar ik wél blij van word.’ Dat was niet gemakkelijk (oude patronen aanpassen kost aandacht en tijd), maar als ik echt iets wil, bijt ik me erin vast. 
Op een dag zag ik online een filmpje van een meisje dat gepest werd en toen overal Post-It-briefjes plakte met positieve boodschappen zoals ‘You are great’ en ‘You have a lovely smile’. Ik dacht: in plaats van trappen tegen wat niet goed is, kunnen we ook liefde geven; dat hebben we allemaal nodig. Omdat ik vaak haak om mijn hoofd leeg te maken, kreeg ik het idee om hartjes te haken, op een kaartje te plakken en ergens neer te leggen, zomaar voor het oprapen. Zo begon ik drie jaar geleden met Hartedeeltjes. Ik maakte een Facebookpagina; al snel had ik honderd volgers en veel ‘likes’. Daardoor kreeg ik het gevoel iets bij te dragen in de wereld. Dat hartje zorgde voor veel blije momenten, terwijl het maar een paar meter draad is. Ik dacht: ‘het is zo fijn om iets te doen voor de medemens, ook al weet je niet eens wie het is. Mijn moeder haakte ruim tienduizend hartjes. Ze vond het zo fijn dat haar dochter weer ergens blij van werd; daar wilde ze graag aan bijdragen. 
Al snel kwam de gedachte in me op: ‘hoe gaaf zou het zijn als mensen letterlijk konden baden in liefde?’ Nadat ik het anderhalf jaar een maf idee had gevonden, zei een vriendin: ‘je moet het gaan doen! Het slaagt wel of niet, maar dan kun je het afvinken.’ Bij ideeën wist ik echter nooit hoe ik er moest komen; daarom voerde ik ze nooit uit. Ik wilde altijd van A naar Z springen in plaats van het pad bewandelen. Maar ditmaal voelde ik aan alles dat dit er stap voor stap zou gaan komen. Zo ging het ook. Ik ben ervan overtuigd: als je iets echt wilt, komen er allerlei ‘toevalligheden’ op je pad om het voor elkaar te krijgen. Ik hoefde maar te denken, en het was er al bijna.  Zo ging mijn vraag ‘wie helpt mee om 100.000 hartjes te haken?’ in no time viraal: al snel kwamen er meer dan duizend hartjes binnen. Na één telefoontje had ik een supermooi bad geregeld, iemand anders wilde wel een logo ontwerpen, en ook belde ik net op het juiste moment met de man die de belettering zou regelen. Weer iemand anders bood aan om een website te maken. Doordat ik mijn intuïtie volgde en deed waar ik blij van werd, was ik overal vaak precies op het goede moment of op de juiste plek. Mijn enthousiasme stak mensen aan; daardoor wilden ze graag bijdragen. 
Met zo’n 300 mensen hebben we zestien maanden samen toegewerkt naar de première van ‘Baden in Liefde’.  De dag zelf (Hemelvaartsdag 2018) was als een bruiloft en ik zat helemaal in het hier en nu. Er hebben 88 mensen in dat bad gezeten. Zelf wilde ik er eerst niet in, om anderen te laten baden. Tot het dochtertje van een vriendin zei dat ze alleen in het bad wilde als ik erbij kwam zitten. Dat brak voor mij het ijs, ook omdat zo’n kind speelt en met hartjes gooit. Daar krijg ik nu nog tranen van in mijn ogen. Dat bad was een feest: lekker zacht en warm, en het voelde als één bonk liefde, steun en ontspanning. Mijn hart stond die dag compleet open. Het was zó mooi om al die mensen zo te zien genieten. Sommigen bleven de hele middag, omdat de sfeer zo fijn was.” 

‘Hart’ gewerkt 

“Ik heb nooit gedacht dat ik dat zou kunnen, maar door het vanuit mijn hart te doen, kan ik veel meer dan ik me kon bedenken. Daardoor is het altijd leuk geweest en heeft het me veel gebracht. Die inspiratie wil ik ook voor anderen zijn. Laatst zei een vriendin: ‘je hebt anderhalf jaar een bedrijf gerund met zo’n 300 mensen; je hebt mensen enthousiast gemaakt en alle middelen geregeld’. Ik kan dan ook met recht zeggen dat ik ‘hart’ gewerkt heb. Veel deed ik op adrenaline - tot het lichaam ‘stop’ zei en ik een paar maanden nodig had om bij te komen. Momenteel weet ik niet goed hoe en of ik verder wil met mijn badproject; de ‘flow’ om ermee naar buiten te gaan, is er (nog) niet. Wel heeft ‘Baden in Liefde’ anderen en mij veel gebracht.   
I
k ben nu tevredener met mezelf en hou meer van mezelf. Als op straat iemand me aankijkt, denk ik: ‘ja, ik ben leuk hè?’ Tijdens stilteretraites leerde ik om van dingen die wat tegenzitten geen problemen te maken. Als iets niet werkt, zal het wel niet de bedoeling zijn en kan ik het steeds makkelijker loslaten. Ook kies ik elke dag voor dingen waar ik blij van word; die keus voor liefde en voor het positieve maakt dat ik nu veelal echt een fijn leven heb. Ik wil niet meer dood, maar als ik nu zou sterven, zou ik wel een tevreden gevoel hebben. Tijdens mijn eetstoornis hoopte ik dat ik me één keer intens gelukkig zou voelen, al was het maar voor een minuut. Dat geluksgevoel heb ik nu met regelmaat – soms tot tranen toe. Op termijn wil ik als inspirator op symposia vertellen over mijn leven. Ik wil mensen de hoop bieden dat het mogelijk is om vanuit een enorme diepte weer op te krabbelen. Ook ben ik van mening dat, als mensen gelukkig zijn en dingen doen waar ze blij van worden en die bij ze passen, ze ook veel liefdevoller naar anderen zijn. Zo wordt de wereld een heel stuk mooier en positiever. Daar wil ik graag mijn steentje aan bijdragen.”